Een beetje cryptische “koptekst”, maar ik hoop het in deze blog wat te kunnen verduidelijken. In 2015 vond onze regering het nodig om de uitvoering van 2 wetten zo maar over de muur te gooien naar de gemeentes. Het betreft de WMO en Jeugdzorg. De jeugdzorg in de daadwerkelijke uitvoering iets later dan de WMO. Dit betekende een enorme uitbreiding van de werkzaamheden in de gemeentes en met name t.a.v. de jeugdzorg ook voor de benodigde kennis. Ik ken gemeentes, waar het sociaal team van 8 Fte is uitgebreid naar 40 Fte. Je zou ook verwachten, dat heel veel medewerkers uit de jeugdzorg zouden over gaan naar de gemeente, maar mede door het toch wel andere soort werk is dat veel minder dan verwacht. Dus een enorme kennisuitdaging en (semi) commerciële bedrijven, die die kennis wel in dienst namen en driftig aan de gemeentes aanbieden.
Ook voor de cliënt was het een enorme wijziging, mede omdat de operatie gepaard ging met een behoorlijke bezuiniging. Aangezien men het eerste jaar echt niet wist, waartoe het zou leiden betekende het ook vaak een versobering in de hulp. Bijvoorbeeld de huishoudelijke hulp. Omdat de wet beschreef, dat het hulp op maat moet zijn, bedachten heel veel gemeentes de term “Schoon huis” hierbij. Maar daar wisten weer veel zorgverleners niet mee om te gaan, omdat die in uren rekenen en ook zo door het CAK worden afgerekend.
Kortom, onzekerheid alom, met name bij de klant. Maar daar had men wettelijk wat voor bedacht, want men heeft recht op een Cliënten ondersteuner, om in het proces van aanvraag bij te staan. Maar ja, wat moet je met zo’n vreemde snoeshaan in jouw private omgeving, daar heb je je zoon toch voor. Alleen kent die de wet en de valkuilen niet.
In praktijk bleek de cliënt al met 3-0 achter te staan voor het proces begon:
1. De cliënt moest in een keer, helemaal zenuwachtig alles op tafel leggen in een gesprek over iets, waarvan hij/zij niet wist hoe het zou verlopen
2. Je zoekt voor hulp je toevlucht tot mensen, die je heel nabij staan, maar vaak de kennis niet hebben
3. Mensen in nood hebben een heel beperkt blikveld, ze zijn aan het overleven, vooral ouders, die een beroep doen op de jeugdzorg.
Nu na 3 jaar heeft de WMO zich enigszins gestabiliseerd, al gaat er nog e.e.a. fout. Ook het fenomeen “Cliënten ondersteuner” is meer ingeburgerd. Al wordt pas in 90% van de gevallen, daar een beroep op gedaan als het in de ogen van de cliënt fout is gegaan.
Uitgaande van het feit, dat elke organisatie een weerspiegeling is van de maatschappij, zal in elke organisatie een klein percentage niet ter goeder trouw werken of gebruik maken van de machtspositie. Wat dat soort mensen drijft is voor mij een raadsel ,maar dat laatste gebeurt af en toe helaas. Vaak wordt dan de kennisvoorsprong gebruikt om in een soort machtspositie te opereren. Gewoon omdat de client het niet weet. De belangrijkste die ik bij de WMO ben tegen gekomen zijn:
• Niet vastleggen van datum aanvraag, waardoor de wettelijke termijnen niet na te gaan zijn
• Oneigenlijke vragen stellen over inkomen, de wet is zo, dat men eerst het recht vaststelt en het CAK wel hoeveel zelf betaald moet worden
• Oneigenlijk verbinden van diverse hulpvragen met elkaar. Elke hulpvraag staat voor de wetgever op zich zelf.
Mag het moeilijk zijn om de WMO goed te beheersen, dan is dat nog maar een kleintje vergeleken bij de Jeugdzorg. Hierbij moet een ook nog duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen WMO hulp behoefte (bijvoorbeeld een hulpmiddel) of een jeugdzorg vraag (globaal gezegd, loopt de ontwikkeling van het kind gevaar). Het blijkt dat hier aan de kant van de client bijna helemaal geen onafhankelijke ondersteuning te verkrijgen is en de kennis minimaal. Door eerder geschetste beeld ontbeert vaak ook de andere kant aan voldoende kennis.
Dit betekent, dat de client dan niet met 3-0 achterstaat, maar met 7-0, want de volgende issues komen er vaak bij:
• Het oneigenlijk gebruik van de verwijs index, door de overheid in leven geroepen, door de wetgever om risico’s in beeld te brengen. Deze     zijn er vaak niet en toch wordt de melding gedaan. Veel gemeentes hebben hier eigen procedures voor;
• Het verkeerd aanwenden van de kennisvoorsprong, waardoor de client overdonderd is, of tenminste het zo voelt;
• Het soms negeren of deels ontkennen van de aangedragen diagnose van een erkende specialist en het zelf over doen. Ook zijn gevallen bekend, waar onbevoegden een diagnose stellen;
• Door gebrek aan kennis inhuren van externe kennis van een instelling, die op basis van uurtje factuurtje de broek op moet houden.
Zaken die ik hierbij nog niet heb genoemd, maar een groot risico vormen zijn onder meer de kans, dat men door ondeskundige beoordeling in een verkeerde hoek wordt neergezet. Ook blijkt het mijns inziens, dat in deze “voor sommige” nieuwe markt, er allerlei zelfbenoemde specialisten opstaan, die veel leed veroorzaken.
Ook blijkt niet altijd een assertieve cliënt op prijs te worden gesteld. Ervaring leert tevens, dat, ondanks de hernieuwde AVG niet in alle gevallen zorgvuldig omgegaan te worden met dossiervorming.
Nadrukkelijk wil ik stellen, dat e.e.a. geen regelmaat is, maar wel degelijk op meerdere plaatsen zo wordt ervaren.
Natuurlijk is het welzijn van het kind belangrijk en moet er soms worden ingegrepen, maar ook dan is de wijze waarop belangrijk. Voor de professionele zijde zijn het dossiers, voor de betrokken ouders een levenslange strijd, waarin een etiket moeilijk is te niet te doen. Ik ben een groot pleitbezorger voor evenwicht in de gelijkwaardigheid van beide partijen en een strakke bewaking van de juiste procedures met name voor die enkelingen, die niet met de luxe van hun positie om kunnen gaan.

Bovenstaande is een gevormde mening, van wat in de loop van de laatste jaren is waargenomen en natuurlijk zal dit een bepaalde subjectiviteit bevat. Toch is het bedoeld als bescherming van beide partijen en voor al diegenen, die het met hart en ziel wel volgens de procedures werken, geldt alleen maar bewondering.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *